De ontdekking van de Hortus: 45 voetbalvelden

‘Hup Holland Hup, laat de leeuw niet in z’n hempie staan.’ Nou, die leeuw staat dus allang in z’n hempie, want ‘we’ doen niet mee aan het EK Voetbal in 2016. In 1950 werd dit leeuwenlied geschreven door KRO-medewerker Jan de Cler. Het werd tijdens radio-uitzendingen van wedstrijden van het Nederlands Elftal vaak door de Cler zelf gezongen met begeleiding van het KRO-Dansorkest en een kinderkoor. Ondanks de muzikale aanmoediging lukte het de Nederlanders dat jaar niet om ook maar één van de zes vriendschappelijke interlands te winnen trouwens.

Ik vind het niet erg dat Oranje niet meedoet. Als ze wel hadden meegedaan, dan was ik waarschijnlijk gaandeweg het toernooi steeds fanatieker supporter geworden. Zo eentje die uitslagen gaat voorspellen bij de bakker in de hoop een taart te winnen en wekenlang ‘Hup Holland Hup’ neuriet, zingt en schreeuwt. Toegegeven, ik ben een nep-supporter. Ik feest graag mee als er iets te vieren valt.

Voor sommige mensen is kijken naar sport plezieriger dan sport beoefenen. Voor mij geldt het omgekeerde: ik geniet meer van zelf in actie zijn dan van het kijken naar anderen in actie. Op sportief gebied dan. Kijken naar tuinierende mensen op tv of ‘live’ vind ik bijvoorbeeld wel een aangenaam tijdverdrijf. Ongestoord toekijken hoe mijn man de druif snoeit of het mos te lijf gaat mag dan weer niet van hem, want dan moet ik verplicht meehelpen. 
Tuinieren is nooit mijn hobby geweest en dat terwijl mijn ouders een enorme moestuin hadden. Naast de keurige bedden met kropsla, wortels en andere vitaminerijke groenten lagen ook prachtige bloemenperkjes. Uit de conversaties die ik wel eens opving tussen mijn ouders maakte ik op dat de kennis over het juiste beheer en onderhoud van de tuin vooral bij mijn moeder berustte. ‘Wat heb je nu weer gedaan? Dat was helemaal geen onkruid, wat je uit de tuin hebt geschoffeld!’

Na een verhuizing kregen mijn ouders een veel kleinere tuin. De rolverdeling werd toen: de vrouw de bloementuin rondom het huis, de man een moestuin op een volkstuincomplex. Hier kon mijn vader zoveel fout schoffelen als hij maar wilde. Nou ja, er moest natuurlijk wel voldoende eetbaars overblijven om mee te nemen naar huis. Hij genoot vooral van het buiten zijn en van de contacten met andere plantende, gietende en oogstende mannen.

Als ik de Hortus doorkruis maak ik ook graag een praatje met de harde werkers in de tuin. Ik houd hen dus van hun werk. De duur van mijn praatjes probeer ik binnen de perken te houden om te voorkomen dat collega’s zich straks achter struiken gaan verstoppen als ze me zien aankomen. En dan zou ik ze moeten gaan zoeken op een terrein dat 45 voetbalvelden groot is.

De ontdekking van de Hortus is een column van Wietske Couperus.

Lees ook de vorige column Kennis der natuur van Wietske

Alle columns van Wietske

naar nieuwsoverzicht